header
HOME  | FOTOGRAFIE  |  EXPOSITIE  |  MUZIEK | LEEFLANG GESCHIEDENIS  |  NIEUWS  | LINKS

logo ‘Orgelbouw Ernst Leeflang
Voor modern orgelwerk en restauraties
Ook voor het leveren van windmachines.’

Zo begon  Ernst Leeflang op 1 maart 1932 zijn eenmansbedrijf in een moeilijke tijd. De keus was destijds: werkeloosheid met eventuele werkverschaffing of op hoop van zegen zelf aanpakken.
Ernst Leeflang werd op 4 oktober 1906  te  Hellevoetsluis geboren. Op jonge leeftijd verloor hij zijn vader. In 1919 vertrok het gezin naar Den Bommel op Goeree-Overflakkee, waar moeder Leeflang een betrekking aan de christelijke lagere school kreeg aangeboden. Geen vetpot.

Hij volgde een lerarencursus, werkte bij de plaatselijke timmerman, maar in zijn hoofd en hart was hij al orgelbouwer.
Hij vertrok dan ook naar de ‘aoverkante’ en werkte een aantal jaren bij orgelbouwer Standaart in Schiedam en Blaisse & Strunk in Rotterdam.
Deze bedrijven bouwden hun orgels niet alleen voor kerkelijk gebruik, maar ook in theaters en bioscopen; en niet alleen in Nederland, maar ook in Duitsland. Later zou Leeflang over deze periode het volgende opmerken: “Men zegt nogal eens, dat de orgelbouwers in die tijd maar slecht werk leverden. Ze beheersten echter wel degelijk het ambacht, maar wisten niet goed meer wat een orgel was.”

Op Duitse les ontmoette de jonge Leeflang de zus van zijn leraar: Jos Droog. Leeflang had waarschijnlijk evenveel belangstelling voor de Duitse lessen als voor de jonge Jos. Daar zou het voorlopig – op één afwijzing na – bij blijven.

In economisch opzicht waren de tijden dermate slecht dat Leeflang eervol ontslagen werd. Hij keerde terug naar ‘het eiland’ en startte daar in 1932 een eigen bedrijf met de naam: ‘Flakkeesch Muziekhuis’. Een muziekwinkel waar vele zaken te koop waren: grammofoonplaten, bladmuziek, psalmboeken, mondorgels, harmoniums enzovoort. Tevens repareerde Leeflang harmoniums en bouwde in 1934 zijn opus 1, een één-klaviersorgel met zes stemmen voor de Christelijke Gereformeerde Kerk te Vlaardingen. En zo werd ‘Orgelbouw Ernst Leeflang’ geboren in een werkplaatsje van ongeveer 9  bij 4 meter.
Leeflang bleek toen al een in vele opzichten een volhardend en geduldig mens te zijn. Uiteindelijk lukte het hem om op 15 november 1930 zich met de eerdergenoemde Jos te verloven en een kleine zes jaar later met haar te trouwen. Er wordt verteld dat hij voor beide gebeurtenissen maar weinig tijd uitgetrokken had en met de nagalm van het “ja”woord nog in zijn oren weer orgelwaarts trok.
Vanaf dit moment was de muziekwinkel het werkterrein van Jos en hield zij de bedrijfsadministratie bij. 
Vóór de Tweede Wereldoorlog bevond zijn werkterrein zich vooral op Goeree-Overflakkee. In de jaren ´40-´45 gebeurde er niet veel. De grootste opdracht was de overplaatsing van het Knipscheerorgel van de Eilandskerk in Amsterdam naar Strijen. Mr. A. Bouman, adviseur van de Nederlandse Klokken- en Orgelraad, begeleidde deze opdracht. Later zou er nog vaak met deze adviseur samengewerkt worden. Het Flakkeesch Muziekhuis was in deze periode de voornaamste bron van inkomsten.

De eerste jaren na de bevrijding worden hoofdzakelijk gekenmerkt door restauratiewerkzaamheden, de meeste met mr. A. Bouman als adviseur. De belangrijkste hiervan zijn:
  • 1947 Purmerend, Grote Kerk - restauratie
  • 1949 Schrevelduin-Capelle, Nederlands Hervormde Kerk - restauratie
  • 1949 Spakenburg, Noorderkerk - restauratie en uitbreiding
  • 1949 Amsterdam, Elthetokerk - herbouw.
Over dit laatste schreef Het Orgel in haar juli-uitgave: ‘De beste orgelbouwers wonen in Denemarken en Middelharnis’. Wel wat overdreven, maar toch… In het keuringsrapport wordt o.a. gemeld: ‘Speciaal met de intonatie heeft de heer Leeflang een artistieke prestatie van betekenis geleverd.’

Het eenmansbedrijf groeit langzaam uit. Nederland herrijst en daarmee ook de kerken en orgels.
Jan Keijzer solliciteerde met positief resultaat bij Orgelbouw Ernst Leeflang. Het schijnt dat het sollicitatiegesprek in de huiskamer plaatsvond. Een andere geschikte ruimte was er eigenlijk ook niet. De oudste dochter van Ernst Leeflang herinnert zich de eerste aanblik van de sollicitant nog, terwijl ze toen toch niet ouder dan tien jaar was. Een mooie grote blonde man. Toen wist ze al dat ze nooit met een orgelbouwer zou trouwen. Maar een watersnoodramp en elf jaren verder gebeurde dat toch.

Jan Keijzer werd op 20 juli 1930 in Nieuwe Tonge geboren. Jans vader had een schoenmakerij en bespeelde zondags het orgel in de kerk. In de crisistijd verhuisde het gezin naar Rotterdam en na het bombardement aldaar naar Oud-Beijerland. Vader Keijzer dreef daar een winkel in muziekinstrumenten.
Jans jongere broer Arie was zeer begaafd in het orgelspel. Om zijn opleiding mede te betalen, moest Jan maar orgelmaker worden, volgens zijn vader. Jan volgde de opleiding voor meubelmaker aan de ambachtschool te Oud- Beijerland en werkte aansluitend bij Kamphuis, orgelbouwer te Schiedam en Olieman, kerk- en concertorgelbouw te Rotterdam. In 1948 keerde het gezin terug naar Nieuwe Tonge. En hier begint de Leeflang-Keijzer coalitie.

Al snel kreeg Jan Keijzer de dagelijkse leiding van de werkplaats, wanneer Leeflang zelf op pad ging voor intonatie- en stemwerk. In deze tijd werkte de al eerder genoemde Kamphuis als een soort onderaannemer voor Orgelbouw Ernst Leeflang, en Jan Keijzer is in deze periode ook vele malen met zijn vroegere werkgever op pad geweest.

Op 12 oktober 1949 ontving het bedrijf opdracht voor de bouw van een nieuw orgel in de Grote Kerk te Middelharnis. Er kan hier gesproken worden van een thuiswedstrijd, aangezien Leeflang de enige was die een plan mocht indienen. Uitgegaan werd van een richtprijs per register. Dr. M.A.Vente werd aangewezen als adviseur. Op de achtergrond werkte mr. A. Bouman aan dit project mee, vooral als souffleur-adviseur op het gebied van de mensuren.
We kunnen dit orgel wat klank betreft beschouwen als één van de laatste grote representanten van de ‘orgelbeweging’ in Nederland, in gang gezet door Bouman.
Van het begin af aan moet Leeflang geweten hebben dat hij niet in staat was dit orgel in zijn 9 x 4 meter werkplaatsje geheel zelf te bouwen. Er vond een samenwerking plaats tussen Leeflang en de firma Verschueren te Heythuysen.
Verschueren maakte de windlades, windvoorziening, tractuur en pijpen, en zorgde voor de voorintonatie van het pijpwerk. Het front en de orgelkast werden ontworpen door architect Meischke te Rotterdam en gemaakt door de plaatselijke timmerman, Boeter. Aan Leeflang dus de taak om alles te stroomlijnen en uiteindelijk tot één geheel te smeden.
Juist in deze periode werd Jan Keijzer opgeroepen voor militaire dienst. Met medewerking van de burgemeester werd uiteindelijk een uitstel van drie maanden verkregen, zodat Keijzer de leiding van het technische gedeelte op zich kon blijven nemen. We zien hier reeds wat in later jaren nog duidelijker zou worden: dat Leeflang zich beter thuis voelde bij de klank en Keijzer bij de techniek.
Inmiddels was Keijzer op 1 januari 1951 benoemd tot medefirmant. Hiermee voorkwam Leeflang dat Keijzer naar het buitenland zou vertrekken.

In de vijftiger jaren vond er een overgang plaats van electro-pneumatische naar mechanische orgels. Na het in 1950 gehouden orgelbouwcongres in Driebergen maakte een aantal orgelbouwers die stap. Leeflang deed dat niet direct.
De contacten met de Gereformeerde OrganistenVereniging waren prima en dat betekende dat er electro-pneumatisch gebouwd moest worden. Verder was het niet verstandig om de contacten met de NKOR in de persoon van Bouman te verbreken. Anderzijds was het voor de toekomst van het bedrijf belangrijk om toenadering te zoeken tot de SOC, in de personen van Lambert Erné en Willem Hülsmann. De correspondentie uit deze periode dwingt respect af voor de wijze waarop Leeflang wist te manoeuvreren, geholpen door zijn vrouw die op kantoor alles regelde en de correspondentie verzorgde.
Het Flakkeesch Muziekhuis was inmiddels in andere handen overgegaan.

De watersnoodramp van 1953 hielp een handje om het bedrijf van het geïsoleerde Flakkee naar de vaste wal te verplaatsen. Tijdens de evacuatietijd, die het gezin Leeflang bij de familie Stinkens te Zeist doorbracht, vond Leeflang in Apeldoorn een geschikt pand. In mei 1954 verhuisden gezin en bedrijf.
De goede contacten met Stinkens waren ook van zakelijke aard. Bijna al het pijpwerk van de door Leeflang en Keijzer gebouwde orgels kwam bij deze firma vandaan.

In 1954 werd het eerste nieuwe mechanische orgel opgeleverd. Dit orgel, geplaatst in Huize De Beekhof te Bathmen van de heer Ankersmit, werd gebouwd onder advies van Vente. Het is ook een van de eerste orgels die van de tekentafel van Keijzer kwamen, die zich steeds meer toelegde op het ontwerpen van de vormgeving van de orgels. In 1980 werd dit orgel verplaatst naar de woonboerderij van Amsterdamse architect Gert Boon, waarbij het uiterlijk aangepast werd aan het interieur van de woning. Na het overlijden van Boon heeft de Stichting ‘Het Gelderse Huisorgel’ zich over dit instrument ontfermd en in 2012 moet het weer in zijn oude glorie te zien en te horen zijn.

Belangrijk in deze periode was het referaat dat Sybrand Zachariassen tijdens een NOV-congres hield. Dit liep vooruit op het onder diens leiding gebouwde Marcussenorgel dat in 1956 geplaatst werd in de Nicolaïkerk te Utrecht. Dit orgel, dat volgens Lambert Erné een voorbeeld moest zijn voor de Nederlandse orgelbouwers, werd ook door Jan Keijzer bezocht. Het kostte hem wel 25 gulden om het interieur te mogen bezichtigen, maar het was volgens hem dat geld zeker waard. In de mechanische orgels die hij na die tijd bouwde zie je, dat hij voortborduurde op de ideeën van Zachariassen.
De hoeveelheid werk werd zo groot, dat Leeflang niet meer in staat was om alles zelf te intoneren. Daarom werd Martinus Schreutelkamp, op dat moment intonateur bij Flentrop, het bedrijf binnengehaald. Hij had aan belangrijke restauraties en nieuwbouwprojecten gewerkt en was op de hoogte van de nieuwste inzichten op het gebied van het intoneren zonder kernsteken.

De bouw van het orgel in de Pniëlkerk te Utrecht in 1958 kan worden gezien als een hoogtepunt. Een Leeflangorgel in dezelfde stad als het grote Marcussenvoorbeeld! Op veel punten werd de opgedane kennis van het Nicolaï-orgel toegepast.

De jaren ´60  waren de meest productieve voor het bedrijf. De basis van veertien werknemers groeide uit tot twintig. Deels was dit te danken aan de centrale ligging van het bedrijf en de goede naam en faam, maar deels ook aan de bouw van nieuwe orgels op Flakkee, waar de oude instrumenten door de watersnoodramp geleden hadden. Leeflang had op het eiland nog steeds zeer goede contacten. Onder adviseurschap van de SOC-adviseurs Erné en Hülsmann werden er maar liefst negen nieuwe orgels gebouwd. Het rampenfonds legde het bedrijf bepaald geen windeieren.
Inmiddels was er een definitieve keuze gemaakt voor het mechanische sleeplade-orgel.

Het orgel van de Pniëlkerk te Apeldoorn, in 1961 opgeleverd, was het eerste dat onder advies van Lambert Erné werd gebouwd. Dit inmiddels naar de St.-Martinuskerk te Twello verplaatste orgel is nog steeds een voorbeeld van alles wat Ernst Leeflang en Jan Keijzer voor ogen stond. De Apeldoornse kunstenaar Harry Meek ontwierp de frontversieringen en zou dit voor meerdere orgels vele jaren blijven doen.

In 1963 werd het laatste orgel onder adviseurschap van Arie Bouman gebouwd voor de Immanuelkerk te Delft. Zijn voorstel was om zeven van zijn eigen octrooiregisters op te nemen in de dispositie. Zoals uit archiefstukken blijkt, kostte het Leeflang heel veel overtuigingskracht om dit aantal terug te brengen tot één: De Quintreseptnon 3st op het borstwerk.

In 1967 werd het orgel voor de Paaskerk te Amstelveen gebouwd. Het bedrijf borduurde gedeeltelijk voort op de ingeslagen weg. Duidelijk is wel dat Jan Keijzer met zijn ontwerpen een andere weg was ingeslagen.
De fronten werden  in een vierkant opgesteld, waarin de pijpen een eigenzinnige tertsopstelling kregen. Gedurende  vijftien jaren was deze opstelling beeldbepalend voor Orgelbouw Ernst Leeflang. Ook hier ontwierp de Apeldoornse kunstenaar Harry Meek de frontversieringen, waardoor de aanblik nog duidelijker iets eigens kreeg. Het Paaskerkorgel is van deze stroming een duidelijk klank- en kleurrijk concept.

Iets meer hier over. In 1963 kwam Jan Keijzer in contact met de architect Karel Sijbrands, iemand die zijn sporen al had verdiend op het gebied van kerkarchitectuur en in dat verband had samengewerkt met Karel Appel en die zich nadrukkelijk bemoeide met de vormgeving van het orgel. Uit deze samenwerking kwamen de zogenaamde asymmetrische fronten tot stand. Het eerste in deze stijl ontworpen orgel werd in 1963 in Helmond geplaatst en het laatste in 1980 in De Oosterpoort te Groningen.
Keijzer verdiepte zich ook in de gulden-snedeverhouding en paste die op velerlei wijzen in zijn ontwerpen toe.

Zoals er op Flakkee, het gebied waar de wieg van Orgelbouw Ernst Leeflang stond, veel Leeflang orgels geplaatst werden (veertien in totaal), zo stonden en staan er ook verschillende in Apeldoorn, de plaats waar het bedrijf tot aan zijn sluiting gevestigd was. Dat waren er negen.

We zijn hiermee in de jaren ´70 beland. Veel orgels werden gebouwd onder adviseurschap van Jan Keijzers broer Arie. Arie Keijzer, die op Flakkee een nog steeds florerende orgelcultuur had neergezet, had inmiddels bekendheid verworven als organist van o.a. De Doelen te Rotterdam en de Grote Kerk te Dordrecht.
Johan Keijzer, Jans jongste broer, was als stemmer-intonateur in dienst getreden.
Leeflang en zijn vrouw bleven wel het ‘kantoor’-werk doen en contacten onderhouden, maar traden steeds minder voor het voetlicht. Het ‘keijzerlijke’ driemanschap zette de toon voor wat er bij Orgelbouw Ernst Leeflang de deur uit ging. Een goed voorbeeld van deze samenwerking is het koororgel van de St.-Janskerk te Gouda, gebouwd in 1974. Dit instrument is op diverse cd’s, uitgegeven door de Stichting Gouds Orgelcomité, te beluisteren.
Eén van de grotere orgels uit deze periode is dat van de Sionskerk te Vlaardingen. Van dit orgel is een door de Orgelcommissie Gereformeerde Gemeente Vlaardingen opname verschenen (cd, nummer 1977.01.2).
Het orgel in de Goede-Herderkerk te Apeldoorn is ook een mooi voorbeeld van een product uit deze periode, hoewel in dit geval Arie Keijzer niet de adviseur was. Het waren instrumenten die hun wortels hadden in wat Leeflang en Keijzer al vanaf de jaren zestig als het ideale orgel zagen.

In deze jaren werden er ook veel restauraties uitgevoerd van belangrijke historische instrumenten, waaronder het Timpe-orgel in de Nieuwe Kerk te Groningen onder adviseurschap van Cor Edskes, het De Rijckere- orgel in de Oostkerk te Middelburg onder advies van Lambert Erné, het Moreau-orgel in de St.-Janskerk te Gouda onder advies van dr. Maarten Vente en Arie J. Keijzer. Allemaal restauraties onder toezicht van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

In 1980 werd het Proper-orgel in Stad aan ’t Haringvliet vernieuwd. Van het oude instrument bleven de kast en de Prestant 8’ van het front behouden. Voor een deel bepaalde dit de klank van het orgel. Het was warmer dan we in deze periode van Leeflang-orgels gewend waren. Het resultaat toonde weer duidelijk aan waartoe het ‘keijzerlijke’ driemanschap – Jan, Arie, Johan – in staat was.

Halverwege de jaren tachtig moest het bedrijf om allerlei redenen, zowel intern als extern, drastisch inkrimpen. Ernst Leeflang en zijn vrouw namen afscheid van het bedrijf en Jan Keijzer zette het voort met drie werknemers. Keijzer nam zelf het tekenwerk weer ter hand.
Verantwoordelijk voor de intonatie was vanaf dat moment Jan Koelewijn en er werd een definitieve keuze gemaakt voor een ander orgeltype door het bouwen van instrumenten in een historiserende richting.
Enkele voorbeelden hiervan zijn de restauraties van het orgel in de R.K. Catharinakerk te Harderwijk en de deelrestauratie  van het Kam-orgel in de Grote Kerk te Dordrecht.
Het eerste nieuwe orgel dat onder de directie van Keijzer werd gebouwd was dat van de Lutherse kerk te Zwolle in 1988. Inmiddels was de naam van het bedrijf veranderd in Leeflang Orgelbouw.
Kort hierna werd het orgel in de Meentkerk te Huizen gebouwd onder adviseurschap van Hans van der Harst. Het orgel laat duidelijk een Fransgetinte romantische klank horen.
In de daarop volgende jaren werden er nog diverse restauraties uitgevoerd. De laatste hiervan was het Hauptorgel in de N.H.-kerk te Markelo onder advies van Jan Jongepier en het laatste orgel dat de werkplaats verliet was dat van de Gereformeerd Vrijgemaakte kerk te Hilversum, waarbij Hans van der Harst adviseur was.

In 1994 kwam er een einde aan een bedrijf dat begon als Flakkeesch Muziekhuis en eindigde als  Leeflang Orgelbouw.

Het was begonnen met de slogan van Ernst Leeflang:
‘Een orgel bouw je met hoofd, hart en handen.’

Het eindigde met de woorden die Jan Keijzer in zijn koororgel in de St.-Jan te Gouda beitelde:
‘Wij timmeren aan de weg,
wat zullen we ons nog wensen.
De zegen komt van God,
de gunst van goede mensen.’


Na vierenzestig jaar – het bedrijf had bijna de AOW-leeftijd bereikt – kwam er een eind aan zijn bestaan.
Orgelmakerij Gebr. Reil te Heerde nam het bedrijf over, inclusief twee werknemers. Jan Koelewijn was al eerder naar dit bedrijf overgestapt. Hiermee kwamen de meeste Leeflang-orgels in onderhoud bij deze firma, waar ook een naamsverandering werd doorgevoerd, te weten Orgelmakerij Reil b.v.

P.W.LEEFLANG